Zinvinder

Stervenspad | Gedichten

Geplaatst op

afscheid

I
Niemand kent de weg van het stervenspad
Stukje ervan misschien
Het helpt deze te delen
Maar de weg moet jezelf gaan

II
Op de gang luiden vogeltjes de lente in
Binnen, op zijn kamer,
Ontworsteld het leven zich aan zijn mensenlijf
Zijn lente wordt hemels. 

VII
Mijn moeder stond aan mijn wieg
En het is mijn moeder die nu op mij wacht
Nog een stap te gaan
En we zijn weer samen een.

IV
Het leven woont in hem
En doet wat het moet doen
Hij klimt omhoog en vangt een glimp op
Van wat komen gaat|
Het is geen vurig verlangen
Maar een gekoesterde wens.

V
Mijn ziel dwarrelt boven mijn
Door het bestaan geteisterde lijf
Nog even en het leven laat mij los|
Zodat ik op kan klimmen
Naar mijn zielsverwanten. 

VI
Waar laat ik mijn lijf
Dat mij zolang heeft gedragen
Waar vind ik rust
Zonder mijn aardse huis
Op het stervenspad
Bepaalt het leven het tempo
En de ziel de bestemming. 

VII
Sterven is meedogenloos
En laat zich niet mis lijden
Zielsrust is mij gegund
Pas nadat het leven is geweken.

veer

De elementen

Geplaatst op

elementenvierhoek fotocollage

vuur spoort aan en verandert mij
lucht bedenkt en beweegt mij
water ondersteunt en vormt mij
aarde bouwt en heelt mij

Mijn ‘IK’ worstelt

Geplaatst op

Mijn ‘IK’ worstelt en drijft verder
veranderen moet
Mijn ‘IK’ doet echt.
Mijn ‘IK’ doet vreemd.
Mijn ‘IK’ is mezelf.
Mijn ‘IK’ is amper mezelf.
Mijn ‘IK’ is altijd mezelf.
Mijn ‘IK’ is misschien mezelf.
Mijn ‘IK’ is wel eens mezelf.
Mijn ‘IK’ is nooit mezelf.
Mijn ‘IK’ is zelden mezelf.
Mijn ‘IK’ is soms mezelf.
Mijn ‘IK’ is veelal mezelf.
Mijn ‘IK’ zoekt zijn hele leven lang naar de juiste bagage.
Gelukkig is mijn ‘IK’ klimaatneutraal denk ‘IK’ dan maar bij mezelf.
Mijn ‘IK’ kleurt de plaatjes en doet alsof en krijgt er maar geen genoeg van!

Geef gehoor aan je grootse verlangen

Afbeelding Geplaatst op Geupdate op

Lebe werd geboren op Driekoningen. In het Latijn Sollemnitas Epiphaniae Domini. Kortweg Epifanie (Epiphany). Op 6 januari, de dag dat gevierd wordt dat drie koningen of wijzen, zich hebben losgemaakt van heel hun hebben en houden en alle zekerheden. Met als enige zekerheid dat zij gehoor gaven aan hun grootste verlangen.

Epiphany Schaduw

Lebe Voran uit Nazaré Belem Brazilië

Lebe werd geboren op Driekoningen. In het Latijn Sollemnitas Epiphaniae Domini. Kortweg Epifanie. Op 6 januari, de dag dat gevierd wordt dat drie koningen of wijzen, zich hebben losgemaakt van heel hun hebben en houden en alle zekerheden. Met als enige zekerheid dat zij gehoor gaven aan hun grootste verlangen. Het verlangen naar vernieuwing. Driekoningen, het feest van het lengen van de dagen, de komst van nieuw licht. Het was een uitzonderlijke heldere avond toen hij het eerste levenslicht zag. Het was aan boord van het zeewaardige zeiljacht de Panta Rhei in de Braziliaanse haven Nazaré Belem. Zijn ouders waren de haven zes weken daarvoor binnengevaren om de bevalling daar af te wachten. Mocht het nodig zijn geweest, dan was er altijd nog de mogelijkheid naar het Ziekenhuis Hospital Infantil Santa Terezinha uit te wijken. Maar de bevalling verliep voorspoedig. Lebe. Ook als het een meisje was geweest, had zij Lebe geheten. Lebe, Duits voor Leven. Lebe kreeg de familienaam van zijn vader: Voran. Leef vooruit. Daar was over nagedacht. Geboren op het schip Panta Rhei, alles stroomt en met de naam die zegt dat je het leven vooruit moet leven. Met de stroom mee.

De boot was niet groot maar comfortabel. Er waren twee vaste slaapplaatsen en een hangmat voor het kind. Het schip was ruim zeven meter lang en twee en een halve meter breed. Het was een uitzonderlijk ruime boot, mede door zijn rondspant. Arje en Mette hadden het schip zeven jaar geleden gekocht voor een kleine vierduizend euro. De eerste reizen waren voornamelijk zwerftochten over de Nederlandse meren geweest. Enkhuizen, Hoorn, Marken, Volendam. Daarna volgde een tocht over de Noordzee van Rotterdam naar IJmuiden-Amsterdam. Daar hadden ze een woning. Arje werkte vanuit zijn eigen bedrijf als art director/grafisch vormgever en Mette was verpleegkundige op de kinderafdeling van het AMC. De woning aan de Marnixstraat werd gebruikt als slaapplaats voor door de week. De weekenden waren ze op de boot. Zomer en winter. Er was geen plek waar ze meer tot rust kwamen dan op de boot. Het doordeweekse leven was hectisch. Arje was een workaholic en bijna vergroeit met zijn Apple. Mette was vergroeid met de kinderafdeling en werkte wanneer ze kon en weer mocht. Koken deden ze niet. Ze aten buiten de deur. Zakelijk, maar ook privé. Het leven bestond uit werken en ontspannen. Het leven werd gevuld met vasthouden van wat je had en uitbreiden waar mogelijk. Werken aan je CV. Ervaring opdoen. Leren van het verleden. Beter worden. Werken aan je competenties. Werken, uitrusten, weer werken.

Arje was de eerste die vastliep en contact zocht met een loopbaanadviseur. Die constateerde een ‘tunnelvisie’. Arje voelde zich verstrikt in al zijn activiteiten, in al zijn contacten. De weekenden op de boot werden steeds noodzakelijker en werden een vlucht . Hij voelde zich steeds minder verbonden met de wereld om hem heen. Mette was verworden tot een afspraak in zijn agenda. Zijn familie zag hij niet of nauwelijks. Op de vraag wat zijn grootste wens was en verlangen, wist hij geen antwoord te geven. Behalve een ‘Ja maar, dat gaat toch niet lukken’, kwam hij niet. Het werd tijd voor een ommezwaai.

Mette verwarde verbondenheid met verwevenheid. Ze kon zich amper meer losmaken van de kinderen op haar afdeling. Van Lisette die dusdanig door haar vader was misbruikt dat het krijgen van kinderen onmogelijk was geworden. Of Wouter, die door zijn stiefvader was geschopt en geslagen waardoor een van zijn nieren het had begeven en doordat de andere nier matig functioneerde hij waarschijnlijk de functie over beide nieren zou verliezen.

Het waren maar enkele voorbeelden die haar aandacht vasthielden en al haar energie vroegen. Voor Mette waren de kinderen van haar afdeling het gesprek van de dag. Ze werd hoofd van de afdeling en omdat zij zich de maatschappelijke problemen van de zieke kinderen steeds meer aan trok, ging ze zich steeds meer inzetten op meerdere fronten. Wensen en verlangens te over. Zij belandde bij een stressconsulent.

Die constateerde een burn-out. Mette moest vol op de rem. Het werd tijd om inzicht te krijgen op het door haar gewenste leven in de toekomst. Arje kon het niet beter formuleren. En samen vertrokken ze met de Panta Rhei voor een reis via Ramsgate in Groot Brittannië, langs de kust van Engeland naar Guernsey, een van de Kanaaleilanden voor de kust van Frankrijk. Een heuse oversteek.

Het schip heette oorspronkelijk Rob, van Kapitein Rob en werd in het bijzijn van familie, ex-collega’s en vrienden, omgedoopt tot Panta Rhei. Een officiële scheepsdoping, met verklaring voor de nieuwe tenaamstelling en tewaterlating met champagne.

Jarenlang hadden ze zich zorgen gemaakt over hun curriculum vitae. Ook de begeleiding van de stressconsulent en de loopbaanadviseur waren gericht op terugblikken vanaf de geboorte op het leven, opleiding en werk. Vanaf het allereerste moment dat ze voet aan boord zetten van hun schip, stond de vraag centraal hoe het door hen verlangde leven er uit zou kunnen zien. Wat zou er mooier zijn dan een tijdslijn uit te zetten naar het voor hen gewenste leven. De eerste wens was een kind.

Voor het eerst werd er gekookt, geluierd, gelezen, gemasseerd, uitgeslapen. Ze waren mooi weer zeilers en hadden verder geen doel. Na de eerste reis naar Guernsey volgde de oversteek naar La Corunia, Spaanse kust, Portugal, Madeira, Canarische eilanden en de Kaapverdische eilanden.
De Portugeestalige wereld sprak hen aan. En langzaam maar zeker ontstond het verlangen de ‘grote’ oversteek te maken: vanaf de Kaapverde, via de West Afrikaanse kust naar Brazilië. Er werden plannen gemaakt en voorbereidingen getroffen. Met name het verkrijgen van de noodzakelijke documenten voor bepaalde landen en inentingen. De reis verliep naar wens en eind november meerde de Panta Rhei aan in de jachthaven van Belém. Eenmaal hadden zij het schip achter moeten laten. In korte tijd kwamen zowel de moeder van Mette als de vader van Arje te overlijden. Het schip bleef achter in de haven van San Juan op Puorto Rico. Mette was toen ruim zes maand zwanger.

Lebe is inmiddels zestien jaar. In de stad Belém kwamen Arje en Mette in aanraking met de problematiek van de straatkinderen. Jarenlang hadden ze het zo normaal gevonden: thuiskomen, eten, slapen in je eigen warme bed. Maar niet alle kinderen op deze wereld doen deze gewone dingen. Zeker niet de straatkinderen die elke avond bijeenkomen op het Praça Nazaré.

Arje besloot een opleiding tot verpleegkundige te gaan volgen in het ziekenhuis waar Lebe na zijn geboorte werd onderzocht. Mette zet zich in voor kinderen waar de maatschappij zich kennelijk geen raad mee weet. Zij zoekt ze op in jeugdgevangenissen, op straat, richtte een stichting op en zamelt geld in voor de bouw van scholen en werkplaatsen waar de kinderen een beroep kunnen leren en ervaring kunnen opdoen. Mette schrijft lesbrieven die gebruikt worden in de Nederlandse scholen om aandacht te krijgen voor de schrijnende problematiek. En dankzij Mette, Arje en Lebe, brengen straathoekwerkers  iets te eten mee naar het plein en brengen een voetbal of muziekinstrumenten. Opname in een tehuis loopt meestal uit op een mislukking. Voor deze kinderen gelden de wetten van de straat. Soms is medische zorg nodig.

Arje rijdt rond in een busje waarin hij de nodige zorg kan verlenen. Lebe is de verbindende factor in het geheel waar het leven vooral voorwaarts geleefd wordt en achteraf begrepen. Het leven waar alles stroomt. Vanuit verbondenheid.

Bekijk de extra foto’s | Lebe Voran

Bestel de bundel Verzonnen Waarheid | Bundel Verzonnen Waarheid

Verlies van een kind

Geplaatst op

verlies

de dood van je kind
verdriet kent geen eind, geen plek
in jou leeft zij voort

Kort verhaal, lekker sterk!

Geplaatst op Geupdate op

Dit is zo’n verhaal dat ooit tot een eind zou moeten komen maar nooit kwam. Dus is het verhaal door overlevering, door het door te vertellen, een eigen leven gaan leiden. De ene versie nog mooier dan de andere. Hoe dan ook is het een verhaal dat het vertellen waard is. Van wal dus.
De Wiel Doniaga
Aan het Westeinde woonden drie ooms. Elk met een eigen bedrijf. De een met melkkoeien en varkens, de ander met melkvee en een levendige paardenhandel en tot slot een oom die als keuterboer van een kleine melkveestapel moest rondkomen en zijn inkomsten moest aanvullen met loondienst. Ze hadden ieder hun eigen tractor. Peet, de boer met de varkens, bestierde zijn land met een Mc Cormick. Een ‘rode duivel’ die, volgens zijn zeggen, hem nooit in de steek liet. De van oorsprong Amerikaanse tractor deed het goed in Nederland. Piet, de boer met de levendige paardenhandel, reed op een Deutz-Fahr. De Deutz-Allis was de Amerikaanse versie en is alleen in de VS met een rode kleur uitgevoerd in plaats van het lichtgroen van Deutz-Fahr. En daar komt de freule ten tonele: de Allis Chalmers. Een eerder oranjekleurig model met een petroleummotor (PA). Uniek, maar vooral betaalbaar. Want benzine was duur in die tijd. Lubbert, mijn derde oom, had een Massey Ferguson, een Amerikaans tractormerk. De Massey Ferguson was rood van kleur. Daarnaast stalde of weide mijn oom Lubbert verschillende paarden.

Nu alle spelers bekend zijn begint het verhaal. De onderlinge rivaliteit liep bij tijden hoog op. Wie had de sterkste tractor, welke tractor kon het zware werk het best aan en welke tractor had de meeste toepassingsmogelijkheden. In grote lijnen ontliepen de merken elkaar niet. Behalve de Allis Chalmers, dat was een buitenbeentje. Van trekkracht was nauwelijks sprake. Hoewel er van paardenkracht (PK) wordt gesproken om de trekkracht van een tractor te duiden, kwam de Allis Chalmers niet verder kan kippenkracht. De Allis Chalmers was er meer voor het stilstaande werk zoals het pompen van water uit een sloot of het aandrijven van de mobiele melkstal. Mijn oom slingerde de Allis Chalmers ’s ochtends vroeg aan om hem daarna de rest van de dag te laten ronken. Het was een dagelijks terugkerende ochtendgymnastiek of ‘workout’ om de tractor aan de praat te krijgen. Maar als de ‘freule’ liep, was het klaar voor de rest van de dag. De zonen van oom Piet noemden hun oude besje ‘de freule’. Ze behandelden haar met veel egards. En je moest er geen grap over maken, want dan was het hommeles. Mijn broer Harry, die veel met zijn neven optrok op het boerenbedrijf van zijn oom, had ook een zwak voor de Allis Chalmers. Hij sprak daar vaak over. Stinkend naar mest kwam hij dan thuis om zijn avontuur met de freule uit de doeken te doen. Meestal kwam hij niet ver met zijn verhaal omdat mijn moeder hem eerst naar het washok verbande. Ik had geen idee wat nu precies de naam was van de tractor. Tot ik onlangs tijdens een fietstocht in de buurt van Heino een kilometerlange stoet aan tractors tegemoet reed. Daar las ik de naam Allis Chalmers. Met een galante sprong, zette ik de fiets aan de kant om een foto te maken.
Allis Chalmers Knip
Eens per jaar kon mijn oom Peet het gras gaan maaien aan de uiterste rand van het Tjeukemeer. Het grasland werd de Wiel genoemd. Een drassig stuk land dat maar een paar weken geschikt was om te bewerken. Zeer de moeite waard, want het gras was mals. Als het werk klaar was, gingen we met de familie een dag mee. Op een boerenkar geladen met brood, beleg, koffie voor de ouderen en een melkbus vol limonade voor de jeugd. Voor mijn ouders, ooms en tantes werden er grote kleden op het grasland aan de oever van het meer uitgespreid. De neefjes en nichtjes zochten hun vertier in het ondiepe water. Tegen de schemering ging de hele familie met tractors en boerenwagens weer terug naar de boerderij. Althans dat was de bedoeling.

Oom Peet manoeuvreerde de Mc Cormick met de kar richting de boerderij en raakte vast in het drassige land. Oom Piet sprong op en riep: ‘Ik haal mijn Deutz wel even!’ En ruim een uur verder reed hij op zijn groene alleskunner het weiland in. De Deutz werd voor de Mc Cormick geplaatst en met een touw aan elkaar verbonden. De trekkracht van de Deutz zou onze redding worden. Het was inmiddels al behoorlijk schemerig. Beide trekkers zetten met loeiende motoren al hun pk’s in en raakten beide vast. Oom Lubbert zag ‘het zwerk al drijven’. ‘Ik haal de Massey Ferguson.’ ‘Dan haal ik de Allis Chalmers!’, brulde de zoon van oom Piet. Nog geen half uur later stonden de vier tractoren in slagorde achter elkaar. De Allis Chalmers voorop. De trekkertrek kon beginnen!

De meeste familieleden hadden inmiddels de arena verlaten. De zon was ondergegaan en het schamele licht van de tractoren gaf het spektakel eerder een sinistere sfeer dan die van een krachtmeting tussen de rivaliserende ooms met hun tractoren. De motor van de oude freule sloeg af. Het aanslingeren van het oude besje zou een flinke aanslag op oom Piet plegen. Om de trekker met mankracht van zijn eerste positie te krijgen was geen optie. Iedereen keek teleurgesteld naar de tot de wielnaven in de grond gezakte tractoren. De competitie eindigde in een remise.

Toen stapte oom Lubbers de arena in met aan zijn hand een Belgisch trekpaard. Oom Lubbert had zijn troef zorgvuldig buiten zicht gelaten en zag zijn kans nu voor eens en voor altijd, de onderlinge rivaliteit te beslechten. Er werd eerst gegniffeld en de ooms porden elkaar in de zij. Zo van: kijk hem daar met zijn knol. Maar oom Lubbert spande de Belg zorgvuldig en onverstoorbaar voor de vier tractoren. De Belg wist niet wat haar te wachten stond en bewoog zenuwachtig haar gecoupeerde staartje. Het gegniffel verstomde en de spanning steeg. Oom Lubbert sprak de Belg toe door het paard in het oor te fluisteren. De oren spitsten en de spieren spanden aan. Het begrip paardenfluisteraar was geboren. De Belg zette zich schrap, de kop boog en het gewicht van het paard deed de touwen spannen. Langzaam maar zeker kwam er beweging in de stoet tractoren. Het paard maakte een eerste stap en de tractoren kwamen omhoog. In allerlei werden de kuilen in de grond geslecht en kwam de hele rij in beweging. De Belg kreeg er plezier in. Zeker toen oom Lubbert nog eens in zijn oor had gefluisterd. Nog geen tien minuten laten stonden de tractoren weer op het droge grasland daar aan de Wiel. De zoon van oom Piet was inmiddels op de Allis Chalmers gesprongen en had de freule aan de praat gekregen waardoor het leek of zij samen met de Belg de klus had geklaard.

Opgetogen reden de ooms met de nog aanwezige familie naar huis. Wat een dag was het geworden. Een dag met een apocalyptisch slot waar nog jaren over gesproken werd. Oom Lubbert kreeg de heldenrol toebedeeld. Samen met zijn Belg werd hij tot lang na zijn dood geroemd.

Met dank aan mijn broer Harry die zijn liefde voor de Allis Chalmers altijd is blijven verkondigen.